Inleiding
In de geschiedschrijving van de film is de experimentele film altijd wat veronachtzaamd. In overzichtswerken is het vaak niet meer dan een voetnoot en komt men niet verder dan het noemen van een aantal namen en titels. Dit heeft in de eerste plaats te maken met het feit dat de wortels van de experimentele film voor een belangrijk deel buiten de film liggen, in de beeldende kunst of de muziek. Experimentele films laten zich moeilijk benoemen binnen het gebruikelijke filmhistorisch of -theoretisch begrippenkader. Daarnaast heeft het grensoverschrijdend karakter vaak tot resultaat dat het uiteindelijke eindproduct niet altijd een autonome film is, maar ook een installatie of performance kan zijn.
De experimentele film is een van oudsher sterk besloten, vooral internationaal georiënteerde gemeenschap die weinig aansluiting heeft bij de reguliere Nederlandse filmwereld. Vertoningsplekken zijn over het algemeen musea, galeries, cineclubs en speciale festivals; de distributie gaat via eigen kanalen. Het is een subcultuur die zich beweegt in een eigen netwerk van formele en informele contacten dat zich minder thuis voelt in de weinig flexibele film- en bioscoopcultuur.
Er is in de naoorlogse geschiedenis van de experimentele film eigenlijk maar één moment geweest dat de experimentele film voor een groter publiek zichtbaar werd. Dat was aan het einde van de jaren '60 en het begin van de jaren '70, een tijdperk dat werd gedomineerd door omwenteling, vrijheidsdrang en experimenteerlust. In die periode heeft de Nederlandse experimentele film zich een vaste plaats verworven binnen het filmcircuit. Toentertijd zijn de kiemen gelegd voor een traditie die zich beweegt tussen internationale oriëntatie en nationale activiteiten, tussen formele benadering en intuïtieve expressie, tussen academie en vrije werkplaats.
